"Wist je dat"


WILDE TEXELAARS van de "Waddel"

Naast de stamboekooien worden er ook zo'n 300 Texelaars buiten het stamboek gehouden. Deze ooien zijn gedurende 35 jaar consequent gefokt op groeisnelheid van de lammeren,vruchtbaarheid en vooral ook melkproduktie. Deze ooien staan ook allemaal in het IDR en gegevens worden in een managementprogramma (Falcoo) bijgehouden. Ramlammeren uit deze ooien worden ook getest op genotype voor scrapie en zijn ook allen certificaatwaardig zwoegervrij.

Gedurende de zomermaanden is er naast stamboekvee altijd een ruim aanbod aan wilde ram- en ooilammeren. Wilde ramlammeren halen een enorme groeisnelheid van veelal boven de 350 gram groei per dag in de zoogperiode. In het dekseizoen halen ze een gewicht van boven de 60 kg tot soms tegen de 80 kg. Uitgegroeide rammen wegen tussen de 100 en 115 kg


FOKKERIJ van de "Waddel"

 

Vitaliteit, groeisnelheid, vruchtbaarheid en melkproductie zijn kernwoorden die de fokrichting aangeven. 

De koppel ooien is ontstaan door de inzet van rammen met zeer hoge indexen voor groei en vruchtbaarheid. De rammen kwamen altijd uit zeer vitale ooien met een goede melkproductie. De gemiddelde vruchtbaarheidsindex van het koppel bedraagt maar liefst 114, met uitschieters naar 130. De ooien brengen in de lengte van jaren gemiddeld ruim twee lammeren. 
Er wordt deelgenomen aan het weegprogramma, waarbij zeer goede resultaten worden behaald. Vaderdieren met een groei-index van boven de 130 komen zelfs voor. In 2006 is begonnen met het scannen op spierdikte en vetbedekking bij de lammeren van 5 maanden. Hierbij werden de hoogste resultaten in Nederland behaald.

GESCHIEDENIS VAN DE TEXELSE SCHAPENKAAS

Reeds in de zestiende eeuw is de Texelse schapenkaas bekend en vermaard om z'n delicate smaak. Er werd zowel witte als groene kaas gemaakt. Van de melk in het naseizoen maakte men wel groene potkaas (smeerkaas). Groen vanwege het mestsap dat men via een neteldoek in de melk liet lopen. Het z.g. groen is in het begin van de twintigste eeuw bij de wet verboden. 

Voor de typische kwaliteit, is het belangrijk dat de schapen op het oude grasland van Texel grazen, dat door de zilte wind van zee zijn aparte flora en smaak krijgt en dat zeer spaarzaam moet worden bemest. Verder zijn het ras, het seizoen en de wijze van kaasbereiding factoren die van belang zijn voor deze kwaliteit. 




GESCHIEDENIS VAN HET TEXELSE SCHAAP

Met meer dan duizend schapen was Hendrik Dijt rond het jaar 1870 veruit de grootste boer van het eiland Texel. Een vooruitstrevend man was hij ook, op vergaderingen werd er graag naar hem geluisterd. Anders dan veel van zijn generatiegenoten vond hij een goede opleiding voor zijn kinderen van groot belang. Zijn zoon Jacob Sijbrand studeerde in Wageningen, maar het boerenbloed won het later toch weer: hij werd een invloedrijke landbouwer op Texel. Daar was intussen een kleine revolutie begonnen. De oudere broer van Jacob, Cornelis Dijt, werd als jonge man in 1888 drie maanden lang naar Engeland gestuurd om er studie te maken van de handel en de landbouw. Maar eigenlijk ging hij met de opdracht zich te verdiepen in de Engelse schapenhouderij en zo mogelijk enkele rammen aan te kopen van bekende Engelse rassen als Leicester, Lincoln en Wensleydale. Goedkoop waren ze niet en bij de verzending naar Nederland moesten er vele ambtelijke barrières worden genomen. Maar uiteindelijk lukte het Cornelis Dijt toch een paar rammen van het ras Border Leicester op de ouderlijke boerderij ‘De Waddel’ op Texel te krijgen. Het zou niet bij deze eerste tocht blijven, de jonge Jacob Dijt ontwikkelde zich tot een pionier op het gebied van de schapenfokkerij en vaak werd aan hem gevraagd om als jurylid op te treden tijdens schapenkeuringen.

Beste wol van Texel
Texel was al sinds eeuwen een echt schapeneiland. Voor koeien was de grond eigenlijk niet geschikt. Het oude Texelse schaap blonk ook niet uit door flinke afmetingen. De praktijk had uitgewezen dat de lammeren van de Texelse schapen met hun karakteristieke pijlstaarten gemakkelijk vet werden wanneer ze op de betere gronden van de Hollanden werden geweid. Het ging daarbij niet om kleine aantallen: Texel had al jarenlang een schapenstapel van rond de 30.000 ooien. Globaal rekende men op eenzelfde aantal lammeren, want meer dan één lam per schaap leverde vaak problemen met de opfok op. Men trad rigoureus op: een tweede lam werd vaak gedood en de moeder kreeg als fokooi geen tweede kans. Zo werden de Texelaars gefokt op het krijgen van één lam.
Hun uitstekende naam hadden de Texelaars niet in de laatste plaats te danken aan hun mooie wol. De Utrechtse hoogleraar Alexander Numan, die in 1835 een fraai geïllustreerd boek schreef over het Nederlandse schaap, herinnerde eraan dat in de voorgaande jaren ‘de enige goede inlandsche wol’ van Texel kwam. Die leverde de basis voor de fijne tenues van de officieren in het Nederlandse leger.

Kruisen kreeg status 
Wol, vlees en melk – de laatste voor de lammeren, maar op de Waddeneilanden ook voor de schapenkaas – ze vormden al eeuwenlang de basis voor de schapenhouderij. Texel vertroetelde de eigen schapen. Daarin ging men bewust heel ver, want zelfs toen door uitbraken van de gevreesde leverbotziekte een kwart van de schapenstapel stierf, verbood men op het eiland fokmateriaal van elders in te voeren. Er was een speciale fokkerij-inspecteur die waakte over de zuiverheid van het ras en voor de beste rammen had hij een speciaal potje met geld. Zo konden ze voor het eiland worden bewaard.
Het invoerverbod hield stand tot 1846. Engeland was intussen niet alleen bij de koeien, maar ook bij de schapen het land van de nieuwe mogelijkheden geworden. Fokkers als Robert Bakewell kregen internationaal faam, omdat ze met uitgekookte fokprogramma’s dieren wisten te creëren die uitstekend voldeden aan de groeiende behoefte aan vlees en vet in vele delen van de wereld. Daar kwam nog bij dat op diverse boerderijen van koninklijke families, bijvoorbeeld van koning Willem III, proeven werden genomen met Britse runder- en schapenrassen. Kruisen kreeg in de veehouderij een bepaalde status.
Texel kon niet achterblijven. Een proef met in Engeland aangekochte Leicesterrammen in 1846 was in eerste instantie succesvol, maar op langere termijn leek het oude Texelse schaap toch het aantrekkelijkst. Leek, want rond 1880 was het niet alleen Hendrik Dijt die rammen uit Engeland aankocht. Het ging om de introductie van rammen van diverse rassen met lange wol – een rage bijna, die in de weideprovincies op het vasteland uit de hand dreigde te lopen. Daar had bijna elk ras zijn eigen enthousiaste aanhangers en vaak werd meer op de speciale kenmerken van het ras gelet dan op de individuele kwaliteit van de gebruikte rammen.

Nekslag voor oud ras 
Op het bedrijf van Hendrik Dijt en zijn ondernemende jongens ging men doordacht te werk. Na de eerste rammen van het Border Leicesterras, werden rammen van het Lincoln- en het Leicesterras aangekocht. Niet de eerste de beste, want de Utrechtse hoogleraar Henri Kroon getuigde in 1913 in zijn leerboek van de geslaagde kruisingen op het bedrijf van Dijt. ‘Er is een betere vleesvorming en groei gerealiseerd. Door het kruisen werd een grotere vruchtbaarheid verkregen. Onderling werden deze kruisingen voortgefokt.’ Juiste selectie en vakmanschap zorgden ervoor dat de gewenste vleesproductie-eigenschappen naar voren kwamen en soberheid behouden bleef: ‘De lammeren zijn gewild bij de weiders.’
Het omvangrijke bedrijf van Dijt leek dan ook het aangewezen terrein voor Arend Hagedoorn, de bekende en invloedrijke geneticus, die aan de hand van de nieuwste fokkerijwetten van die dagen (van Georg Mendel) een uniforme lijn trachtte te ontwikkelen in de Texelse schapenpopulatie. Daar raakte het oude Texelse schaap in zuivere vorm intussen snel op de achtergrond. De Hollandsche Maatschappij van Landbouw – die het onderzoek van Hagedoorn financieel ondersteunde – vroeg in 1902 of er nog schapen van de oude ras naar de nationale tentoonstelling moesten. De meerderheid was tegen. Jacob Sijbrand Dijt, terug op het eiland, noteerde: ‘Aldus werd dit zieltogende ras de nekslag toegebracht. Het oude, beroemde Texelse kortstaartschaap was hiermee wellicht voor immer veroordeeld tot uitsterven.’

Naar echte uniformiteit 
De moderne Texelaar kreeg de wind in de zeilen. Eerst op het eiland zelf, waar al snel de adviezen van Hagedoorn ter harte werden genomen. Een strenge selectie van het bestaande materiaal bracht een nieuwe lijn in de Texelse schapenstapel, waarbij een flink formaat, een snelle groei en een rijke, dichte wolvacht tot centraal fokdoel werden verheven. Geheel in de lijn van Hagedoorn waren het de praktische eigenschappen die door het in 1909 opgerichte Texelse Schapenstamboek de doorslag moesten geven: een efficiënte productie van vlees en moederdieren, die hun lammeren zonder problemen snel groot konden brengen. Uit al die kruisingscombinaties bleven de beste over en sommige van de meest begeerde rammen kregen een centrale functie op de weg naar het moderne schaap. In 1927 kon uit de stamboeken worden berekend dat ram F54 de stamvader was van de helft van alle ingeschreven rammen. Toch zou het nog vele jaren duren voor de werkelijke uniformiteit bij de Texelse schapen hoogtij vierde: de fokkers leverden een mooie prestatie. De ‘verbeterde Texelaars’ gingen de wereld veroveren, ze combineerden in hun stevige lijven de kwaliteiten die toegespitst waren op de wensen van veeboeren en consumenten.